Staat op, mak toe die deur nou | anoniem

(uit de bundel: Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte (met prentjies) verzameld deur F.W. Reitz, Vroeger Hoofregter en Staats-president van d’Oranje Vrijstaat, 1897, Amsterdam – Pretoria.)

Eens was daar een getrouwde paar,
Wat leef op hulle gemak nou;
Die vrouwtjie die maak koekies gaar,
Wat in die pan daar bak nou.

Die wint waait koud in die gebouw,
Dit trek deur elke skeur nou,
Toen zeg die oubaas ver zijn vrouw
“Staat op, maak toe die deur nou.”

Zij zeg: “Ik maak die koekies klaar,
Ik heb te veel te doen nou:
Al wag jij ook een honderd jaar
Dan maak ik dit nooit toe nou.”

Zulle maak toen same ’n akkoord
Dat zoo dit moes gebeur nou:
Die een wat eerste praat één woord
Moes toe gaan maak die deur nou.

Toen kom daar net twee mans verbij:
(Dit’s twaalf uur in die nag nou)
Dit was zoo donker dat albei
Verlang maar om die dag nou.

O, hulle was honger, kout, en nat,
Zoo reg uit hulle humeur nou,
Zulle staat daar op die modder-pat,
Toen ziet hulle ’n ope deur nou.

Zulle vraa of zulle mag binne kom;
Die paartjie praat gen woord nou,
Zulle hou ver haarlie heelmal stom—
Zulle dink aan hulle akkoord nou.

Die twee mans eet die koekies op,
Zulle doet net wat zulle wil nou;
Die vrouwtjie die swel in haar krop—
Maar blij mar daarom stil nou.

Die een die zeg: “Nou kom, Meneer
Nou moet ons dit maar doen nou:
Jij kan die ou zijn baard afskeer,
En ik die vrouwtjie zoen nou.”

“Daar is gên water in die huis,”
Antwoord die eene man nou,
Die ander zeg: “In die kombuis
Is warm pap in die pan nou.”

O, kwaad spring op die oubaas toen,
Hij hou hem reg permant nou,
“Wat? vlak vóór mij, mijn vrouw kom zoen,
En mij met pap verbrant nou?”

Toen moet jij zien hoe zij opspring,
En skreeuw nes een kalkoen nou.
“Die eerste woord het jij gepraat,
Loop maak die deur mar toe nou.”

Tekening bij dit gedicht uit "Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte" van F.W. Reitz

Vertaling ‘Sta op, doe nou die deur dicht.’
door Peter Pit

Eens was er een getrouwde paar
Die leefden op hun gemak
Het vrouwtje maakte de koekjes klaar
Die in de pan daar bakten.

De wind waaide koud in het gebouw,
En tochtte door elke scheur.
Toen zij de oude baas tegen zijn vrouw
“Sta op, doe nou die deur dicht.”

Zij zei: “Ik maak de koekjes klaar,
Ik heb nu teveel te doen:
Al wacht je ook honderd jaar
Dan nog doe ik die deur nooit dicht.”

Ze sloten toen samen een akkoord
Dat het zo zou gebeuren:
De een die als eerste een woord zou zeggen
Moest de deur dicht gaan doen.

Toen kwamen er net twee mannen voorbij:
(Het is nu twaalf uur in de nacht)
Het was zo donker dat ze beiden
Alleen maar verlangden naar de dag.

O, ze hadden honger, waren koud en nat,
Ze waren helemaal uit hun humeur,
Ze stonden daar op het modderpad,
Toen zagen ze een open deur.

Ze vroegen of ze binnen mochten komen;
Het paartje zei geen woord
Ze hielden zich helemaal stom—
Ze dachten alleen aan hun akkoord.

De twee mannen aten de koekjes op,
Ze deden maar wat ze wilden;
Het vrouwtje werd langzaam heel boos—
Maar bleef toch maar stil.

De ene man zei: “Nou kom, meneer,
Nu moeten we het maar gaan doen:
Jij kunt die oude man z’n baard afscheren
En ik ga het vrouwtje zoenen.”

“Er is geen water in het huis,”
Antwoordde de ene man,
De andere zei: “In de keuken
Is er warme pap in de pan.”

O, boos sprong toen de oude baas op,
Hij hield zich echt heel kranig,
“Wat? voor mijn ogen mijn vrouw zoenen,
En mij met pap willen verbranden?”

Toen had je moeten zien hoe zij opsprong,
En schreeuwde net als een kalkoen.
“Het eerste woord heb jij gezegd,
Ga nu de deur maar dicht doen.”

Die prokureur syn hond | anoniem

uit de bundel: Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte (met prentjies) verzameld deur F.W. Reitz, Vroeger Hoofregter en Staats-president van d’Oranje Vrijstaat, 1897, Amsterdam – Pretoria.)

“Goei morre Prokureur—geef my tog bitjie raad?
Myn is ‘n ding gebeur, hier buite op die straat.
Daar kom ’n slegte hond, net vlak hier voor jou deur,
En byt myn in dei been; myn broek is glad verskeur.

Dit was ’n nuwe broek, en ek wil jou nou vrâ
Of dit nie môolik is soo’n kerel an te klâ,
Wat sulke slegte goed laat los-loop op die straat,
Om myn somar te byt, as ik hier langes gaat.”

“Welseker myn ou vrind— dit staat jou altyd vry
Om van die hont syn Baas, die skade weer te kry.”
“Wat denk meneer daarvan—zal dit te baing wees,
Om 10 sielings te vra, ver skade van die bees?”

“Wel al te seker niet—die ei-enaar moet beskou
Dat 10 sielings is min, als hy so’n hond wil hou.”

“Wel, baas, dan raak jy ook nou net 10 sielings kwyt,
Dit was jou ei’e hond, die het myn so gebyt.”

“Myn hond! myn Pollo dan, het hy jou so gekry;
Mar as jy seker is dan sal ik ook niet stry.
Dé, vat dan mar jou geld—wat reg is moet bestaan,
Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan.”

Die Boer die moet toen skater van die lach;
Hy vat die geld heel vrolik, wat hy dag
’n prokureur mag glad wees met syn bek,
Tog kyk ’n domme Boer hom in die nek.

So stap hy weg, mar kom net by die duer,
“Stop vrind, wag, stop,” seg toen die Prokureur,
“Dis alles goed en wel, die skade van mijn hond;
“Mar ik moet jou vertel, myn raat die kos een pond,
“Soo geef myn hier mar gauw myn 10 sielings nou weer,
“Dan skuld jy myn voor raat nog net een halfpond meer,
“Want dit is tog mar waar—wat reg is moet bestaan,
“Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan.”

Afbeelding bij dit gedicht uit "Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte" van F.W. Reitz

Vertaling ‘De hond van de advocaat’
door Peter Pit

“Goedemorgen, advocaat—geef mij toch wat raad?
Er is mij iets gebeurt, hier buiten op de straat.
Daar kwam een slechte hond, net vlak hier voor je deur,
En beet mij in m’n been, mijn broek is helemaal verscheurd.

Het was een nieuwe broek, en ik wil jou nu vragen,
Of het niet mogelijk is, zo’n kerel aan te klagen,
Die zulk slecht spul los laat lopen op straat,
Om mij zomaar te bijten, als ik hier langs ga.”

“Welzeker mijn oude vriend— het staat je altijd vrij
Om van de baas van de hond, de schade vergoed te krijgen.”
“Wat denkt meneer ervan— zal het teveel zijn,
Om 10 sielings te vragen, voor de schade van het dier?”

“Wel al te zeker niet—de eigenaar moet zien
Dat 10 sielings weinig is, als hij zo’n hond heeft.”

“Wel, Baas, dan raak jij nu ook net 10 sielings kwijt,
Het was je eigen hond, die heeft mij zo gebeten.”

“Mijn hond! mijn Pollo dan, heeft hij jou te grazen genomen;
Maar als je er zeker van bent dan zal ik het ook niet aanvechten.
Alsjeblieft, neem dan maar je geld—het recht moet bestaan,
Al zou de wereld ook daardoor moeten vergaan.”

De Boer die moest toen schateren van de lach;
Hij nam het geld heel vrolijk, want hij dacht
Een advocaat die mag dan glad zijn met zijn praatjes,
Toch heeft een domme Boer hem nu te pakken.

Zo liep hij weg, maar kwam net bij de deur,
“Stop vriend, wacht, stop,” zei toen de advocaat,
“Het is alles goed en wel, die schade van mijn hond;
“Maar ik moet je nog vertellen, mijn raad die kost een pond,
“Dus geef mij hier maar gauw mijn 10 sielings nu weer,
“Dan schuld jij mij voor de raad nog een halfpond meer,
“Want dit is toch maar waar—het recht moet bestaan,
“Al zou de wereld ook daardoor moeten vergaan.”

In waansin het ek gevra | N.P. van Wyk Louw

(Uit de bundel: Alleenspraak, 1935)

Herr du mein Gott, was gehen mich die
 Gesetze der Natur und Arithmetik an?

In waansin het ‘k gevra, o God
vir my die vrede van die ster,
om bo die berge stil te woon,
die wêreld onder dof en ver.

Ek wou U Liggaam sien en gryp,
ek wou die see vang in my net;
ek wou U Mag vang, vang en bind
met die koperkettings van my wet.

Dan wou ek self in glorie troon,
my hof by winde en sterre hou;
ek wou met ewig-stille oë
op U en op U knegskap skou. 

Vergeef die wilde dwase bee —
o God, hoe kon ek wyser wees?
Maar, moet U vlam my voorkop kroon,
ek neem die glorie en die vrees!

Vir my nie meer die dwase rus
van mense en van dag en jaar,
vir my die vlamme van U wa,
en oë wat in vertes staar.

Vir my die kruis en doringkroon,
die reise wat geen einde het,
vir my die soek wat nimmer vind,
vir my die sterre sonder wet.

o God, vir my die wilde sin,
die oë wat hul waansin noem,
om wat ondenkbaar is, te dink,
en wat onmoontlik is, begin.

Ek sal ons Wete stukkend skeur
en uitstrooi tussen sterre en maan!
Sal ek met so ’n flenterkleed
U weë, o God, U weë gaan?

So sal ‘k met naakte liggaam stap
die reis van hierdie wonderlewe,
met wonderoë in die lig
wat om my van U wonder bewe.

Daar is één heerlikheid: U sien;
daar is één rus: om U te soek;
om niet te weet – dit is U seën;
en om te vind – dit is U vloek.

Starry_Sky

Vertaling ‘In waanzin heb ik gevraagd’

Heer, mijn God, wat heb ik te maken met
de wetten van de natuur en de rekenkunde?

In waanzin heb ik gevraagd, o God,
voor mij de vrede van de ster,
om boven de bergen stil te wonen,
de wereld onder dof en ver.

Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen,
ik wilde de zee vangen in mijn net;
ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden
met de koperen kettingen van mijn wet.

Dan wilde ik zelf in glorie tronen,
hof houden bij winden en bij sterren;
ik wilde met eeuwig-stille ogen
op U en op Uw knechtschap zien.

vergeef die wilde en dwaze bede —
o God, hoe kon ik wijzer zijn?
Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen,
ik neem de glorie en de angst!

Voor mij niet meer de dwaze rust
van mensen en van dag en jaar,
voor mij de vlammen van Uw wagen,
en ogen die in verten staren.

Voor mij het kruis en de doornenkroon,
de reizen die geen einde hebben,
voor mij het zoeken dat nooit vindt,
voor mij de sterren zonder wet.

O God, voor mij de wilde zin,
de ogen die hun waanzin laten zien,
om wat ondenkbaar is te denken,
en wat onmogelijk is te beginnen.

Ik zal ons Weten aan stukken scheuren
en uitstrooien tussen sterren en maan!
Zal ik met zo’n haveloos kleed
Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?

Zo zal ik met een lichaam naakt
de reis door dit wonderleven maken,
met wonderogen in het licht
dat om mij heen van Uw Wonder beeft.

Er is één heerlijkheid: U zien;
er is één rust: U zoeken;
om niet te weten – dat is Uw zegen;
en om te vinden – dat is Uw vloek.

(vertaling Adriaan van Dis en Robert Dorsman, uit hun boek: O wye en droewe land: Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans, Meulenhoff – Amsterdam, 1998. (Van harte aanbevolen!))

Zie voor mijn gedachten bij dit gedicht dit stukje op mijn blog Pittig.

Die Paadjie Dof en Klein | Totius

(Uit een latere druk van de bundel: Wilgerboombogies)

(Op ’n woeste berg het die skrywer ’n kort entjie voetpad teëgekom)

Die mens wat in die wildheid dwaal,
en op die berge styg en daal,
is bly
as hy ’n voetpad kry. 

Al is die paadjie nog so klein,
al sal dit netnou weer verdwyn,
die wandelaar se voet
gaan ongemerk dit ingemoet.

Dis troos vir hom, as hy alleen
sy pad soek deur die wildheid heen,
dat daar tevore mensen was
waar nou sy voet dwaal deur die gras.

Dis troos, ver in die woesteny,
dat daar ’n strepie bly, —
dat daar ’n entjie van ons weg
met ander saam word afgeleg.

o Lewens-wildheid grenseloos!
dit is ons, mense, ’n diepe troos,
die wetendheid:
’n ander het dieselfde stryd.

 665474_11427297

 

Vertaling ‘Het paadje dof en klein’
door Peter Pit

(Op een woeste berg kwam de schrijver een kort stukje voetpad tegen)

De mens die in de wildernis dwaalt
en op bergen stijgt en daalt,
is blij
als hij een voetpad vindt. 

Al is het paadje nog zo klein,
al zal het snel weer verdwijnen,
de voet van de wandelaar
gaat ongemerkt die richting uit.

Het is een troost voor hem wanneer hij alleen
zijn weg zoekt door de wildernis heen,
dat er vóór hem mensen waren
waar nu zijn voet door het gras dwaalt. 

Het is een troost, ver in de woestenij,
dat er een streepje blijft,
dat een stukje van onze weg
samen met anderen wordt afgelegd.

o Grenzeloze wildernis van het leven!
Voor ons mensen is deze wetenschap
een diepe troost:
een ander kent dezelfde strijd.

Die sfinks van Memfis | Totius

(uit de bundel: Skemering, 1948) 

Die leeueliggaam lê nog soos altyd
in diepe rus, tog klaar tot selfverweer.
Die mensehoof staar in die wêreld neer
met klare blik en kalme oorwogenheid. 

Hier het ’n hand die stugge blok graniet
tot pure lewe en geeskrag omgeskep.
Maar mees bewonder ek hoe, ongerep,
’n glimlag effens oor die lippe skiet.

Ek het begeerte om soos dié Sfinks te wees:
om in die lewensdinge in te staar
met rus en erns, met krag en insig klaar,
en met die sagte glimlag allermees. 

***

Sfinx memphis

Vertaling ‘De sfinx van Memphis’
door Peter Pit

Het leeuwenlichaam ligt er nog als altijd
in diepe rust, toch gereed tot zelfverweer.
Het mensenhoofd staart in de wereld neer
met een klare blik en kalme overweging.

Hier heeft een hand het stugge blok graniet
tot puur leven en geestkracht herschapen.
Maar het meest bewonder ik hoe, ongerept,
er iets van een glimlach over de lippen heen schiet. 

Ik zou zo graag als die Sfinx willen zijn:
om te staren in de dingen van het leven
met rust en ernst, met kracht en helder inzicht,
en nog het allermeest met die zachte glimlach.

Eensaamheid | J.F.E. Selliers

My vuurtjie en ek is op wag —
my vuurtjie en ek alleen;
                die awend-ster
                wink al van ver,
en die velde slaap omheen.

En stadigies sterwe die dag,
soos een in sy armoed verlaat,
                ongesien, ongeag,
                sonder suggie of lag,
waar niemand van weet of van praat.

Nou bly die lug alom
in stil aanbidding staan —
                geen tampende bel
                wat die ure tel:
net die sterre wat kom en gaan. 

Die osse, met koppe gebuie,
herkoue nog stil in die nag,
                tot één vir één buk
                en gaan lê by sy juk,
met ’n sug, ná die trek van die dag.

My vuurtjie is al wat nog leef
in die eindeloos ruim met my,
                en sy stemmetjie dwaal
                soos ’n deuntjie wat draal
om dae lank verby,

om jonkheids blye môre
en laggies lank verlewe.
                Dan voel ek ’n traan
                in my oë staan
en ek fluister: “Heer, vergewe!”

Die slapende velde lê wyd,
en wyer die donker see,
                wat my vuurtjie en my
                vanawend skei
van die wêreld se vreug en wee;

ek weet daar’s fees vanaand
in menig verligte saal,
                maar geeneen wat my mis
                by die dans en die dis —
’n balling vergeet en verdwaal.

Maar al is ek, ver van die skaar,
in eensaamheids woning getrede,
                ek voel my soos een
                met die Heer alleen —
’n Kind aan Sy boesem tevrede.

**

Vertaling ‘Eenzaamheid’
door Peter Pit

Mijn vuurtje en ik staan op wacht —
mijn vuurtje en ik alleen;
                              de avondster
                              wenkt al van ver,
en de velden slapen om me heen.

En langzaam sterft de dag,
als één in zijn armoede verlaten,
                              ongezien, ongeacht,
                              zonder zuchtje of lach,
waar niemand van weet of praat.

Nu blijft de lucht alom
in stille aanbidding staan —
                              geen luidende bel
                              die de uren telt:
alleen de sterren die komen en gaan.

De ossen, met koppen gebogen,
herkauwen nog stil in de nacht,
                              tot ze één voor één bukken
                              en gaan liggen bij hun juk,
met een zucht, na de reis van de dag.

Mijn vuurtje is alles wat er nog leeft
in de eindeloze ruimte met mij,
                              en zijn stemmetje dwaalt
                              als een deuntje dat draalt
om dagen lang voorbij,

om de blijde morgen van de jeugd
en lachjes lang geleden.
                              Dan voel ik een traan
                              in mijn ogen staan
en ik fluister: “Heer, vergeef!”

De slapende velden liggen weids,
en wijder de donkere zee,
                              die mijn vuurtje en mij
                              vanavond scheiden
van de wereld met z’n wel en wee; 

ik weet dat er feest is vanavond
in menig verlichte zaal,
                              maar niemand die mij mist
                              bij de dans en de dis —
een balling vergeten en verdwaalt.

Maar al ben ik, ver van de scharen,
in de woning van de eenzaamheid getreden,
                              ik voel mij als één
                              met de Heer alleen —
een kind aan Zijn boezem tevreden.

The Archbishop chairs the first session | Ingrid de Kok

(From Terrestrial things: poems, Snailpress, Plumstead, South Africa, 2002)

The Truth and Reconciliation Commission,
April 1996, East London, South Africa

On the first day
after a few hours of testimony
the Archbishop wept.
He put his grey head
on the long table
of papers and protocols
and he wept. 

The national
and international cameramen
filmed his weeping,
his misted glasses,
his sobbing shoulders,
the call for a recess. 

It doesn’t matter what you thought
of the Archbishop before or after,
of the settlement, the commission,
or what the anthropologists flying in
from less studied crimes and sorrows
said about his discourse,
or how many doctorates,
books and installations followed,
or even if you think this poem
simplifies, lionizes,
romanticizes, mystifies.

There was a long table, starched purple vestment
and after a few hours of testimony,
the Archbishop, chair of the commission,
laid down his head, and wept.

That’s how it began. 

Zie voor de achtergrond bij dit gedicht de post De aartsbisschop huilde op mijn blog Pittig.

Potjiekos | Marius Titus

                So tussenin die makeshift hysies,
                               elke aand voor die etensuur,
                                               dán maak ons vuur.
                               Om te keer teen die elemente
                                               van koud en starvation,
                               om te sorg vir oorlewing
                                van die squatter nation. 

Dan… as die vrouens in die potte roer,
                               dan maak ons kos –
                               potjiekos my broer.
Nou hoor ek die whaaities maak ook so,
                seker by ons gesien wat en hoe. 

                Shame, dan keer hulle ook seker
                 teen die koud en die starvation.

                                                     ***

Vertaling ‘Potjiekos’ (één-pansgerecht)
door Peter Pit

Zo tussen de zelf gefabriceerde huisjes in,
       elke avond vóór etenstijd,
                       dán steken we een vuur aan.
       Om ons te weren tegen de elementen
                       van kou en verhongering,
          om te zorgen voor het overleven
          van de natie van illegale bewoners.

Dan… als de vrouwen in de potten roeren,
                       dan maken we het eten –
                       potjiekos mijn broer.
Nu hoor ik dat de blanken het ook zo doen,
       zeker van ons afgekeken wat en hoe.

        Ach, dan weren zij zich zeker ook
         tegen de kou en de verhongering.

My pop val stukkend | Ingrid Jonker

Die skaduwee waarsku die straat
geslinger uit ‘n hoë balkon
deur die skaars jakarandas van die lug
die skaduwee waarsku die son

deur die lied van die penniefluitjies
geval op die dreunende straat
my pop met ‘n naam soos ‘n liggaam
wat net soos ‘n mens kon praat

My pop soos ‘n mossie geskiet
korrel-kaal van die vensterbank
of was dit die wind uit die verte
of was dit my eie hand

My pop het geval toe die son
sy brons klok lui uit die lug
toe die wolke die mure wit kalk
val die skaduwee daarin terug

Die skaduwee waarsku die son
porselein met die ver lug bo -
as ek sou val uit ‘n hoë balkon
as ek sou breek lyk ek ook só

Aanraking van die dood | N.P. van Wyk Louw

Net raaklings oor my hare het gestryk
die wind van Sy vleuelslag, en Sy skaduwee
was koelte rondom my; ek kon nie kyk
of Hy vernietiging of lewe gee,
ek kon geen laaste, dapper woorde vind;
ek ’t net gebuig, en óm my was ’n wand
van vrees, tot ek kon luister, glad verblind,
hoe Hy vér weggeruis het oor die land.
Maar toe die vrees gewaai het van my oë,
het alles nuut gestaan, van vreemde smart
deuraar en diep verbind deur alle tyd;
groot liefde was in my, en mededoë,
en wete van die duistre in ons hart,
want alles was deurweek van sterflikheid.

                                           ***

Vertaling ‘Aanraking van de dood’
door Peter Pit

Slechts rakelings streek over mijn haren
de wind van Zijn vleugelslag, en Zijn schaduw
was koelte rondom mij; ik kon niet zien
of Hij vernietiging of leven gaf,
ik kon geen laatste, dappere woorden vinden;
ik boog alleen, en rondom mij was een wand
van vrees, totdat ik kon luisteren, helemaal verblind,
hoe Hij vér wegruisde over het land.
Maar toen de vrees weggewaaid was van mijn ogen,
stond alles er nieuw bij, van vreemde smart
dooraderd en diep verbonden door alle tijden heen;
er was een grote liefde in mij, en mededogen,
en een besef van het duister in ons hart,
want alles was doorweekt van sterfelijkheid.