Daar is geen dood | Totius

(Uit de bundel: Passieblomme, 1934)

Daar is geen dood.
Wat lewe heet, is net die op en neer
as ons klein skuitjie al maar daal en klim;
en wat ons sterwe noem, is niks nie meer
as ons verdwyning op die gindse kim.

Daar is geen dood.
Ons wat van lae strand dit sien, en speur
hoedat hul vaart die afstand steeds vergroot
ons kan nie sien wat anderkant gebeur,
en daarom noem ons die verdwyning: dood.

Daar is geen dood.
Ons lae standpunt is te laag en ver,
en hul ontseil ons sfeer van ruimte en tyd,
daarom word eindelik ons blik versper
wanneer hul roerpen stuur in die eeuwigheid.

Boot horizon

Vertaling ‘Er is geen dood’
(door Peter Pit)

Er is geen dood.
Wat leven heet, is alleen het op en neer
als onze kleine schuit voortdurend daalt en klimt;
en wat wij sterven noemen, is niets meer
dan onze verdwijning op de gindse kim.

Er is geen dood.
Wij die van het lage strand dit bezien, en speuren
hoe hun vaart de afstand steeds groter maakt,
wij kunnen niet zien wat er aan de andere kant gebeurt,
en daarom noemen wij die verdwijning: dood.

Er is geen dood.
Ons lage standpunt is te laag en ver,
en zij ontzeilen onze sfeer van ruimte en tijd,
daarom wordt onze blik uiteindelijk versperd
wanneer hun roerpen naar de eeuwigheid stuurt.

Ek is oek important | Peter Snyders

As al julle geldgatte
julle geld gespendit,
en julle bananaskille
innie slootjie gegooi het,
en julle bustikkits
soes konfetti gestrooi het,
en julle staain en cool drinks
opgedrink het,
en julle borrels en blikkies
in ‘n gangetjie gesit het,
en julle visgraatbolle
en vrot vrugte
en stukkene boksies
en papiere
r o n d g e g o o i  h e t . . .

dan kom ek
en maakie wêreld weer skoon:
soe
ek is oek important.

Street sweeper feet

Vertaling ‘Ik ben ook belangrijk’
door Peter Pit

Als al jullie rijkaards
           jullie geld uitgegeven hebben
en jullie bananenschillen
         in de sloot gegooid hebben,
en jullie buskaartjes
          als confetti uitgestrooid hebben,
en jullie bier (?) en frisdrank
          opgedronken hebben,
en jullie flessen en blikjes
          in een gangetje neergezet hebben,
en jullie hoopjes visgraten
      en rotte vruchten
              en kapotte doosjes
                        en papieren
rondgestrooid hebben . . .

dan kom ik
en maak de wereld weer schoon
dus
ik ben ook belangrijk.

Staat op, mak toe die deur nou | anoniem

(uit de bundel: Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte (met prentjies) verzameld deur F.W. Reitz, Vroeger Hoofregter en Staats-president van d’Oranje Vrijstaat, 1897, Amsterdam – Pretoria.)

Eens was daar een getrouwde paar,
Wat leef op hulle gemak nou;
Die vrouwtjie die maak koekies gaar,
Wat in die pan daar bak nou.

Die wint waait koud in die gebouw,
Dit trek deur elke skeur nou,
Toen zeg die oubaas ver zijn vrouw
“Staat op, maak toe die deur nou.”

Zij zeg: “Ik maak die koekies klaar,
Ik heb te veel te doen nou:
Al wag jij ook een honderd jaar
Dan maak ik dit nooit toe nou.”

Zulle maak toen same ’n akkoord
Dat zoo dit moes gebeur nou:
Die een wat eerste praat één woord
Moes toe gaan maak die deur nou.

Toen kom daar net twee mans verbij:
(Dit’s twaalf uur in die nag nou)
Dit was zoo donker dat albei
Verlang maar om die dag nou.

O, hulle was honger, kout, en nat,
Zoo reg uit hulle humeur nou,
Zulle staat daar op die modder-pat,
Toen ziet hulle ’n ope deur nou.

Zulle vraa of zulle mag binne kom;
Die paartjie praat gen woord nou,
Zulle hou ver haarlie heelmal stom—
Zulle dink aan hulle akkoord nou.

Die twee mans eet die koekies op,
Zulle doet net wat zulle wil nou;
Die vrouwtjie die swel in haar krop—
Maar blij mar daarom stil nou.

Die een die zeg: “Nou kom, Meneer
Nou moet ons dit maar doen nou:
Jij kan die ou zijn baard afskeer,
En ik die vrouwtjie zoen nou.”

“Daar is gên water in die huis,”
Antwoord die eene man nou,
Die ander zeg: “In die kombuis
Is warm pap in die pan nou.”

O, kwaad spring op die oubaas toen,
Hij hou hem reg permant nou,
“Wat? vlak vóór mij, mijn vrouw kom zoen,
En mij met pap verbrant nou?”

Toen moet jij zien hoe zij opspring,
En skreeuw nes een kalkoen nou.
“Die eerste woord het jij gepraat,
Loop maak die deur mar toe nou.”

Tekening bij dit gedicht uit "Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte" van F.W. Reitz

Vertaling ‘Sta op, doe nou die deur dicht.’
door Peter Pit

Eens was er een getrouwde paar
Die leefden op hun gemak
Het vrouwtje maakte de koekjes klaar
Die in de pan daar bakten.

De wind waaide koud in het gebouw,
En tochtte door elke scheur.
Toen zij de oude baas tegen zijn vrouw
“Sta op, doe nou die deur dicht.”

Zij zei: “Ik maak de koekjes klaar,
Ik heb nu teveel te doen:
Al wacht je ook honderd jaar
Dan nog doe ik die deur nooit dicht.”

Ze sloten toen samen een akkoord
Dat het zo zou gebeuren:
De een die als eerste een woord zou zeggen
Moest de deur dicht gaan doen.

Toen kwamen er net twee mannen voorbij:
(Het is nu twaalf uur in de nacht)
Het was zo donker dat ze beiden
Alleen maar verlangden naar de dag.

O, ze hadden honger, waren koud en nat,
Ze waren helemaal uit hun humeur,
Ze stonden daar op het modderpad,
Toen zagen ze een open deur.

Ze vroegen of ze binnen mochten komen;
Het paartje zei geen woord
Ze hielden zich helemaal stom—
Ze dachten alleen aan hun akkoord.

De twee mannen aten de koekjes op,
Ze deden maar wat ze wilden;
Het vrouwtje werd langzaam heel boos—
Maar bleef toch maar stil.

De ene man zei: “Nou kom, meneer,
Nu moeten we het maar gaan doen:
Jij kunt die oude man z’n baard afscheren
En ik ga het vrouwtje zoenen.”

“Er is geen water in het huis,”
Antwoordde de ene man,
De andere zei: “In de keuken
Is er warme pap in de pan.”

O, boos sprong toen de oude baas op,
Hij hield zich echt heel kranig,
“Wat? voor mijn ogen mijn vrouw zoenen,
En mij met pap willen verbranden?”

Toen had je moeten zien hoe zij opsprong,
En schreeuwde net als een kalkoen.
“Het eerste woord heb jij gezegd,
Ga nu de deur maar dicht doen.”

Die prokureur syn hond | anoniem

uit de bundel: Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte (met prentjies) verzameld deur F.W. Reitz, Vroeger Hoofregter en Staats-president van d’Oranje Vrijstaat, 1897, Amsterdam – Pretoria.)

“Goei morre Prokureur—geef my tog bitjie raad?
Myn is ‘n ding gebeur, hier buite op die straat.
Daar kom ’n slegte hond, net vlak hier voor jou deur,
En byt myn in dei been; myn broek is glad verskeur.

Dit was ’n nuwe broek, en ek wil jou nou vrâ
Of dit nie môolik is soo’n kerel an te klâ,
Wat sulke slegte goed laat los-loop op die straat,
Om myn somar te byt, as ik hier langes gaat.”

“Welseker myn ou vrind— dit staat jou altyd vry
Om van die hont syn Baas, die skade weer te kry.”
“Wat denk meneer daarvan—zal dit te baing wees,
Om 10 sielings te vra, ver skade van die bees?”

“Wel al te seker niet—die ei-enaar moet beskou
Dat 10 sielings is min, als hy so’n hond wil hou.”

“Wel, baas, dan raak jy ook nou net 10 sielings kwyt,
Dit was jou ei’e hond, die het myn so gebyt.”

“Myn hond! myn Pollo dan, het hy jou so gekry;
Mar as jy seker is dan sal ik ook niet stry.
Dé, vat dan mar jou geld—wat reg is moet bestaan,
Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan.”

Die Boer die moet toen skater van die lach;
Hy vat die geld heel vrolik, wat hy dag
’n prokureur mag glad wees met syn bek,
Tog kyk ’n domme Boer hom in die nek.

So stap hy weg, mar kom net by die duer,
“Stop vrind, wag, stop,” seg toen die Prokureur,
“Dis alles goed en wel, die skade van mijn hond;
“Mar ik moet jou vertel, myn raat die kos een pond,
“Soo geef myn hier mar gauw myn 10 sielings nou weer,
“Dan skuld jy myn voor raat nog net een halfpond meer,
“Want dit is tog mar waar—wat reg is moet bestaan,
“Al sou die wereld ook daaronder moet vergaan.”

Afbeelding bij dit gedicht uit "Sestig uitgesogte Afrikaanse Gedigte" van F.W. Reitz

Vertaling ‘De hond van de advocaat’
door Peter Pit

“Goedemorgen, advocaat—geef mij toch wat raad?
Er is mij iets gebeurt, hier buiten op de straat.
Daar kwam een slechte hond, net vlak hier voor je deur,
En beet mij in m’n been, mijn broek is helemaal verscheurd.

Het was een nieuwe broek, en ik wil jou nu vragen,
Of het niet mogelijk is, zo’n kerel aan te klagen,
Die zulk slecht spul los laat lopen op straat,
Om mij zomaar te bijten, als ik hier langs ga.”

“Welzeker mijn oude vriend— het staat je altijd vrij
Om van de baas van de hond, de schade vergoed te krijgen.”
“Wat denkt meneer ervan— zal het teveel zijn,
Om 10 sielings te vragen, voor de schade van het dier?”

“Wel al te zeker niet—de eigenaar moet zien
Dat 10 sielings weinig is, als hij zo’n hond heeft.”

“Wel, Baas, dan raak jij nu ook net 10 sielings kwijt,
Het was je eigen hond, die heeft mij zo gebeten.”

“Mijn hond! mijn Pollo dan, heeft hij jou te grazen genomen;
Maar als je er zeker van bent dan zal ik het ook niet aanvechten.
Alsjeblieft, neem dan maar je geld—het recht moet bestaan,
Al zou de wereld ook daardoor moeten vergaan.”

De Boer die moest toen schateren van de lach;
Hij nam het geld heel vrolijk, want hij dacht
Een advocaat die mag dan glad zijn met zijn praatjes,
Toch heeft een domme Boer hem nu te pakken.

Zo liep hij weg, maar kwam net bij de deur,
“Stop vriend, wacht, stop,” zei toen de advocaat,
“Het is alles goed en wel, die schade van mijn hond;
“Maar ik moet je nog vertellen, mijn raad die kost een pond,
“Dus geef mij hier maar gauw mijn 10 sielings nu weer,
“Dan schuld jij mij voor de raad nog een halfpond meer,
“Want dit is toch maar waar—het recht moet bestaan,
“Al zou de wereld ook daardoor moeten vergaan.”

In waansin het ek gevra | N.P. van Wyk Louw

(Uit de bundel: Alleenspraak, 1935)

Herr du mein Gott, was gehen mich die
 Gesetze der Natur und Arithmetik an?

In waansin het ‘k gevra, o God
vir my die vrede van die ster,
om bo die berge stil te woon,
die wêreld onder dof en ver.

Ek wou U Liggaam sien en gryp,
ek wou die see vang in my net;
ek wou U Mag vang, vang en bind
met die koperkettings van my wet.

Dan wou ek self in glorie troon,
my hof by winde en sterre hou;
ek wou met ewig-stille oë
op U en op U knegskap skou. 

Vergeef die wilde dwase bee —
o God, hoe kon ek wyser wees?
Maar, moet U vlam my voorkop kroon,
ek neem die glorie en die vrees!

Vir my nie meer die dwase rus
van mense en van dag en jaar,
vir my die vlamme van U wa,
en oë wat in vertes staar.

Vir my die kruis en doringkroon,
die reise wat geen einde het,
vir my die soek wat nimmer vind,
vir my die sterre sonder wet.

o God, vir my die wilde sin,
die oë wat hul waansin noem,
om wat ondenkbaar is, te dink,
en wat onmoontlik is, begin.

Ek sal ons Wete stukkend skeur
en uitstrooi tussen sterre en maan!
Sal ek met so ’n flenterkleed
U weë, o God, U weë gaan?

So sal ‘k met naakte liggaam stap
die reis van hierdie wonderlewe,
met wonderoë in die lig
wat om my van U wonder bewe.

Daar is één heerlikheid: U sien;
daar is één rus: om U te soek;
om niet te weet – dit is U seën;
en om te vind – dit is U vloek.

Starry_Sky

Vertaling ‘In waanzin heb ik gevraagd’

Heer, mijn God, wat heb ik te maken met
de wetten van de natuur en de rekenkunde?

In waanzin heb ik gevraagd, o God,
voor mij de vrede van de ster,
om boven de bergen stil te wonen,
de wereld onder dof en ver.

Ik wilde Uw lichaam zien en grijpen,
ik wilde de zee vangen in mijn net;
ik wilde Uw macht vangen, vangen en binden
met de koperen kettingen van mijn wet.

Dan wilde ik zelf in glorie tronen,
hof houden bij winden en bij sterren;
ik wilde met eeuwig-stille ogen
op U en op Uw knechtschap zien.

vergeef die wilde en dwaze bede —
o God, hoe kon ik wijzer zijn?
Maar, moet Uw vlam mijn voorhoofd kronen,
ik neem de glorie en de angst!

Voor mij niet meer de dwaze rust
van mensen en van dag en jaar,
voor mij de vlammen van Uw wagen,
en ogen die in verten staren.

Voor mij het kruis en de doornenkroon,
de reizen die geen einde hebben,
voor mij het zoeken dat nooit vindt,
voor mij de sterren zonder wet.

O God, voor mij de wilde zin,
de ogen die hun waanzin laten zien,
om wat ondenkbaar is te denken,
en wat onmogelijk is te beginnen.

Ik zal ons Weten aan stukken scheuren
en uitstrooien tussen sterren en maan!
Zal ik met zo’n haveloos kleed
Uw wegen, o God, Uw wegen gaan?

Zo zal ik met een lichaam naakt
de reis door dit wonderleven maken,
met wonderogen in het licht
dat om mij heen van Uw Wonder beeft.

Er is één heerlijkheid: U zien;
er is één rust: U zoeken;
om niet te weten – dat is Uw zegen;
en om te vinden – dat is Uw vloek.

(vertaling Adriaan van Dis en Robert Dorsman, uit hun boek: O wye en droewe land: Honderd-en-een gedichten in het Afrikaans, Meulenhoff – Amsterdam, 1998. (Van harte aanbevolen!))

Zie voor mijn gedachten bij dit gedicht dit stukje op mijn blog Pittig.

Die Paadjie Dof en Klein | Totius

(Uit een latere druk van de bundel: Wilgerboombogies)

(Op ’n woeste berg het die skrywer ’n kort entjie voetpad teëgekom)

Die mens wat in die wildheid dwaal,
en op die berge styg en daal,
is bly
as hy ’n voetpad kry. 

Al is die paadjie nog so klein,
al sal dit netnou weer verdwyn,
die wandelaar se voet
gaan ongemerk dit ingemoet.

Dis troos vir hom, as hy alleen
sy pad soek deur die wildheid heen,
dat daar tevore mensen was
waar nou sy voet dwaal deur die gras.

Dis troos, ver in die woesteny,
dat daar ’n strepie bly, —
dat daar ’n entjie van ons weg
met ander saam word afgeleg.

o Lewens-wildheid grenseloos!
dit is ons, mense, ’n diepe troos,
die wetendheid:
’n ander het dieselfde stryd.

 665474_11427297

 

Vertaling ‘Het paadje dof en klein’
door Peter Pit

(Op een woeste berg kwam de schrijver een kort stukje voetpad tegen)

De mens die in de wildernis dwaalt
en op bergen stijgt en daalt,
is blij
als hij een voetpad vindt. 

Al is het paadje nog zo klein,
al zal het snel weer verdwijnen,
de voet van de wandelaar
gaat ongemerkt die richting uit.

Het is een troost voor hem wanneer hij alleen
zijn weg zoekt door de wildernis heen,
dat er vóór hem mensen waren
waar nu zijn voet door het gras dwaalt. 

Het is een troost, ver in de woestenij,
dat er een streepje blijft,
dat een stukje van onze weg
samen met anderen wordt afgelegd.

o Grenzeloze wildernis van het leven!
Voor ons mensen is deze wetenschap
een diepe troost:
een ander kent dezelfde strijd.

Die sfinks van Memfis | Totius

(uit de bundel: Skemering, 1948) 

Die leeueliggaam lê nog soos altyd
in diepe rus, tog klaar tot selfverweer.
Die mensehoof staar in die wêreld neer
met klare blik en kalme oorwogenheid. 

Hier het ’n hand die stugge blok graniet
tot pure lewe en geeskrag omgeskep.
Maar mees bewonder ek hoe, ongerep,
’n glimlag effens oor die lippe skiet.

Ek het begeerte om soos dié Sfinks te wees:
om in die lewensdinge in te staar
met rus en erns, met krag en insig klaar,
en met die sagte glimlag allermees. 

***

Sfinx memphis

Vertaling ‘De sfinx van Memphis’
door Peter Pit

Het leeuwenlichaam ligt er nog als altijd
in diepe rust, toch gereed tot zelfverweer.
Het mensenhoofd staart in de wereld neer
met een klare blik en kalme overweging.

Hier heeft een hand het stugge blok graniet
tot puur leven en geestkracht herschapen.
Maar het meest bewonder ik hoe, ongerept,
er iets van een glimlach over de lippen heen schiet. 

Ik zou zo graag als die Sfinx willen zijn:
om te staren in de dingen van het leven
met rust en ernst, met kracht en helder inzicht,
en nog het allermeest met die zachte glimlach.